Oh, kantoortuin

Afgelopen maandag werkte ik aan een opdracht bedrijfsfotografie in Zeist. Portretten van werknemers, foto’s van de omgeving en foto’s van de kantoortuin. Er was een prachtig oud pand, net naast Slot Zeist, er waren ontzettend vriendelijke mensen, er was licht, er was ruimte. Het was er allemaal.  
De kantoortuin is over het algemeen gesproken niet mijn favoriete plek. Ronduit verstikkend en ongezond vind ik het om geen privacy, geen concentratie en geen eigen werkplek te kunnen hebben. De creativiteit, die men voor ogen had bij het lanceren van de kantoortuin -je kan lekker direct en vrijelijk schreeuwen naar je collega’s, niet gehinderd door deuren of wandjes van een cubicle– wordt door oeverloos gezwets over supermarktvoordeeltjes en perikelen thuis (of bij BN-ers, bij gebrek aan), in de kiem gesmoord.
Nou zit je natuurlijk niet op kantoor om alleen maar creatief te zijn. Dus dat is een win-win situatie.
In Zeist hadden ze het goed voor elkaar. De portret- en interieurfoto’s, die ik daar maakte, volgen nog, voor nu een aantal foto’s van werkruimten, die ik eerder dit jaar maakte in de omgeving van Zaandam.

Advertenties

More portrets…

Opvallend veel korting

“Zonder auto ben je hier niets! Nergens!”, zegt Reisleidster tegen mij als ik haar vraag naar het dichtsbijzijnde busstation. Ik huur twee fietsen bij twee Engelse dames in de stad. De stad heeft 10.000 inwoners. Het is meer een dorp. Ik krijg opvallend veel korting en wijt dat aan mijn vriendelijke rode gezicht. Het is de eerste dag, ik ben al verbrand. 

Op Vakantie-eiland is het snikheet. De weerapp geeft 32 graden aan, de thermometer van de apotheek in de kleine stad klokt 37. Mijn gevoelstemperatuur zegt 43. Ik ben niks gewend. Ik heb het warm in Nederland.

In doodsangst verkeer ik als ik begin aan de fietstocht. We rijden de berg af richting de kust. Mijn dochter voorop. Zij kent geen angst, zij is jong. Na een minuut krijg ik de smaak te pakken. Wind door mijn haar, zon op mijn kop, krekels doen wat krekels doen en mijn shirt bolt op, zodat het lijkt alsof ik een enorme dikke rug heb. Ik moet daar heel hard om lachen. Ik ontwijk de gaten in de weg als ware ik een volleerd toerder. Ik ga mijn dochter voorbij. Ha, deze ouwe vrouw komt nog best vooruit.

Dan sta ik opeens stil. Ik trap wel, maar er gebeurt niets. Ik trek en sjor aan de versnellingen. Zweet loopt in stralen van mijn gezicht en over mijn rug, waaraan het eerst zo grappig opbollende shirt zich nu stevig heeft vastgehecht. Achter hoor ik mijn dochter happend naar lucht vragen waarom we stil staan. Ik stap af. We moeten de berg op.

Na 5 minuten liggen we huilend langs de weg in een berg dennennaalden. De geur van hars kan onze wanhoop niet verbloemen. Voor ons, achter ons, naast ons, overal zon, stof en rotsen. We worden eerst blind, dan gaan we dood.

Ik zie de Engelse dames handenwrijvend mijn geld tellen, ik zie Reisleidster hard voorbij scheuren in een huurauto met airco, ik zie gieren boven ons hoofd cirkelen, ik hoor mijn dochter huilen.

Uit mijn rugzak pak ik een fles water en geef haar een grote slok en spetter wat water in haar gezicht en in haar nek. “Dankjewel, mam, zullen we weer verder gaan?”.

We lopen naar de bocht, en dan naar de volgende, en dan gaat het pad weer een beetje naar beneden. We stappen op en laten ons weer vallen, naar beneden, totdat we stilstaan en alles weer opnieuw begint. Maar dan net een beetje minder erg. Afzien went snel.